Aard

 

Hoewel dit zich ruim 30 jaar geleden afspeelde, weet ik het nog als de dag van gisteren. Ik was erbij en heb het zó bijzonder gevonden, dat het nog steeds in mijn hoofd zit en op papier moet…

 

Aard woonde in een klein huisje voor ouderen en alleenstaanden. Bijna dagelijks kwam ik langs zijn huisje in het Leusderkwartier in Amersfoort. Aard zat altijd aan tafel een shagje te roken en had altijd zijn hoed op. Volgens mij sliep Aard daar ook mee, want zijn hoed was nogal vet, kun je zeggen. Niet één keer schoongemaakt in al die jaren.

Aard reed in een invalidenwagen, met van die pedalen van voren, waar hij aan moest slingeren om vooruit te komen. Hij miste een been en als hij zijn kunstbeen niet om had, lag de stomp op een kussen op de zitting van zijn invalidenwagen.

 

Aard was vaste klant van de slagerij, waar ik achter de toonbank stond. Als hij buiten bleef staan, ging ik naar hem toe en nam zijn bestelling op. Altijd een schouderkarbonade, een speklapje en een balletje gehakt.

Had hij zijn kunstpoot aan, zoals hij dat noemde, dan strompelde hij de winkel in en bestelde zelf, onder het genot van een aantal plakjes worst. Daarom deed hij regelmatig toch zijn poot aan want die worst wilde hij niet missen. Als ik zijn bestelling buiten bracht, keek hij altijd eerst in het tasje met vlees en vroeg: “Is dat alles wat ik erbij krijg aan worst?”

 

Aard had de bijnaam ‘Zuurkool’ in de volkswijk… dit vanwege een hard borstelig en warrig snorretje onder zijn neus. Als Aard verkouden was – en dat gebeurde nogal vaak – hing er vaak een flinke klodder opgedroogde of nog net nat klefferig snot in zijn snor.

Aard had natuurlijk als man ook zo zijn behoefte. Dichtbij de slagerij was een hoekpand waar de dames van lichte zeden hun brood verdienden op de bovenste etage. Twee keer in de maand ging Aard naar de hoeren. Wanneer dat was, kon iedereen in de wijk zien, dan stond Aard zijn invalidewagen geparkeerd voor het pand. Van horen zeggen werd Aard de trap op gedragen, anders kon hij niet boven komen.

 

Op zaterdag was het vroeg druk in de slagerij, de meeste mannen werden met een lijstje naar de slager gestuurd door moeder de vrouw. In de winkel werd de week doorgesproken. Dat ging gepaard met de nodige humor, het was vaak een compleet volkstoneel.Vaak moest ik even mijn mes wegleggen, anders kwamen er ongelukken van. Ik lag dan dubbel van het lachen over mijn hakblok.

Aard kwam ook rond het tijdstip waarop de mannen zich te goed deden aan een grote schaal met warme paardenworst, die dan op de toonbank stond om de wachttijd wat te veraangenamen. Dan kreeg hij meestal de volle laag met lol over zich heen, vooral als hij bij de hoeren was geweest. De mannen hadden natuurlijk zijn kar zien staan. Zolang Aard van de schaal met worst snoepte, deed het hem niets, het gleed allemaal van hem af. Behalve dat hij het niet na kon laten de opmerking te maken: ”Wat ik daar doe, krijg jij thuis niet.” Nou, dan moest Aard natuurlijk met de billen bloot over wat hij dan wel kreeg.

 

Ik mocht Aard portretteren in zijn huisje, aan de tafel waaraan hij steevast zat, met natuurlijk altijd zijn hoed op. Het was een summier ingerichte kamer, waar net een kast, een tafel en wat stoelen inpastten. Achter Aard een grote soundmachine en aan de muur een kale plek, afgetekend door jarenlang niet te behangen. Ooit had hier iets anders gehangen, maar het was nu opgevuld door een kleine foto.

Heel bescheiden vroeg ik wat hij daar had weggehaald, “Jongen.” zei Aard, “Je mag veel weten, zelfs dat ik naar de hoeren ga, dat interesseert mij geen reet! Sommige dingen doen pijn, elk huisje heeft zijn kruisje, hier praat ik liever niet over…”

 

Dat moet je dan maar zo laten, je kunt ook te nieuwsgierig zijn. Respect voor de integriteit van de mensen die ik portretteer gaat voor mij boven alles. Toch, als ik weer eens binnen kwam, ging mijn blik altijd weer naar die plek…