Ikke plastieg heb

 

Wanneer ik Gent bezoek in de weekenden is een bezoek aan de rommelmarkt bij St.Jakobs altijd even een must. Een uurtje heerlijk platen schieten op de 600 vierkante meter waar een aantal handelaren hun kunst en kitsch aan de man brengen. De markt bestaat al jaren en wordt op vrijdag, zaterdag en zondag gehouden van ’s morgens vroeg tot omstreeks het middaguur en wordt bezocht door een bont gezelschap van Gentenaren.
Ik heb de markt nu zo’n 5 keer bezocht vanaf 2012. Iedere keer weer lijkt het wel of mijn camera de beelden tot zich trekt. Ik kom er iedere keer weer vandaan met een aantal beelden, die de toets der kritiek kunnen doorstaan, al blijft het kijken naar fotografie natuurlijk subjectief…

 

Niet alleen de beelden

Niet alleen de beelden zijn prachtig om die mee te nemen, ook sommige ontmoetingen, vaak vluchtig maar een enkele keer ook van langere duur. Het zijn voor mij onbekende mensen met wie ik contact maak. Sommigen willen weten waar ik vandaan kom, wat ik in hun land doe, of ik op vakantie ben of er werk, waar ik dan woon en wat ik voor de kost doe.
Veelal kom ik niet eens verder dan het beantwoorden van maar een paar vragen, want dan volgt onmiddellijk hun eigen verhaal: waar ze zelf vandaan komen, over de markt, de wijk, de stad, maar vaak ook over privédingen die mij eigenlijk niets aan gaan. Wellicht voelen ze zich onmiddellijk aangesproken en denken ze: “Aan die man ga ik dat nu eens vertellen!”
De wandelstok die ik gebruik bij het lopen is inmiddels deels vervangen door een rollator. Daarmee struin ik dus nu de markt af, ga er zo nu en dan even op zitten en dan loer ik over mijn brilletje.

 

Swart in mond

Ik zag een nogal forse man zitten in een soort van combi rollator-rolstoel en dacht: “Daar ga ik eens even naast zitten en mee staren over de markt van kunst en kitsch.”
We keken elkaar aan en hij knikte vriendelijk, stak zijn hand uit en zei met een buitenlands accent:
“Ikke heet Michael”.
“Willem” antwoordde ik.
“Jij komme hier vandaan?”
“Uit Nederland.” zei ik.
“Ow ikke Bulgaar. Jij ziek.?”, vroeg hij mij.
“Nou, beetje moeilijkheden met lopen. En jij?” vroeg ik aan Michael.
“Ikke kanker, al heel veel jaar.”, vertelde Michael.
“Zo,” zei ik, “je bent er gelukkig nog! Wat heb je voor kanker, als ik je dat mag vragen?”
“In mond! Ikke pijn in oor, naar doktor, die kijke en zei,”jij moet blijven in ziekenhaus, moet operieren anders jij dood!””
“Zo Michael, dat is niet mooi man”, antwoordde ik.
“Ikke erg ziek zijn geweest, nog nie beter nu al jaren.”
“Wat vonden ze dan?”, vroeg ik hem, “Iets in je oor?”
“Nee”, swart in mond!
“Zwart in je mond?”
“ Ja op foto swarte plek daar!’, en hij wees naar zijn gehemelte.
“Alles weg daar boven, ik drienken moeilijk”
“Na de operatie?” vroeg ik Michael, “of kan je nu nog niet drinken?”
“Nee, na operatie alles kwam uit neus lopen. Toen doktor wat make in mijn mond. Ikke heb plastieg.
Hij wees opnieuw naar zijn mond, veegde zijn vingers af aan een niet al te frisse broek en stak ze in zijn mond. Hij hield zijn hoofd achterover en daar kwam een plastic gehemelte uit, vol slijm en groen spul, rijp voor een week in verdunde chloor.
“Doe het maar snel weer terug.’, zei ik.
Maar Michael wachtte daar even mee, pakte een lap uit zijn broekzak, poetste het plastic gehemelte schoon en ja hoor, het paste weer precies.
“Dat is niet niks, man! Heb je daar pijn aan?”vroeg ik.

 

Kwak zalf

“Ja, ikke heb pijn! Hij greep naar zijn rechter broekspijp, rolde deze op en daar verscheen een open beenwond met een kwak zalf er op.
“Laat maar snel zakken. Michael. De zon op je been doet je geen goed!”
“Ikke veel pijn daar…”
“Waar woon je?”, vroeg ik hem. “Heb je een vrouw? Heb je kinderen?”
“Vrouw dood in Bulgaar, 21 jaar, bauk nie goed.” en hij wees naar zijn onderbuik.
“Hoe kom je in België terecht, Michael?”
“Kiender, Willem, vier Kiender. Zonen, twee in Duisland, twee hier woon. Een zoon vrouw nie goed,”
“Is ze ziek dan?”
“Nee, slechte vrouw.. “
“Zie je ze vaak?”
“Nee, altijd alleen voor pappa geld vragen…”, en hij maakte een afwijzend gebaar met zijn hand.

“Waar woon je?” vroeg ik.
“Daar.” en hij wees een richting uit. “Sociaal woning in straat ziekehaus.”
“Nou, dan ben je daar dicht bij als er wat met je gebeurt. Woon je alleen?”
“Ja,” antwoordde hij, “twee kamer voor woon en slaap en waskamer met WC.”
“Wat doe je dan zoal overdag, Michael?”
“Ikke hier kijken en televisie. En naar apotiek veel medisienen voor ziek zijn.”
“Ja, je zal er wel wat nodig hebben.”
“Ikke pas nog ziekenhaus.”
“Voor de mond?” vroeg ik, “Of voor je been?”
“Nee, voor hier.”en hij greep naar zijn kruis. “Prostate kanker.”
“Nou man, je hebt het wel voor je kiezen zeg. Niet makkelijk voor je.”
Hij knikte een paar keer bevestigend.

 

Jij foto maken?

“Jij foto maken?”
“Vandaag, ja hier wat op de markt, van mensen.”
“Ikke es kijken? en hij wees naar mijn kleine G5 van Panasonic.
“Ja hoor! Kijk maar, dit heb ik gemaakt.“
Een tijdje lang keek hij naar de beelden op het schermpje. Het ging hem iets te vlug.
“Nog een keer? Dat kan.”
“Zo genoeg.” zei hij, “Ies mooie kluren die menschen!”
“Ja, dat zeker. Mag ik van jouw een foto maken?”

Dat was goed. Hij draaide zich wat in zijn stoel maakte zijn hand nat met spuug en trok die over zijn haar.
De foto was genomen en Michael wilde meteen het resultaat zien. Hij nam de tijd om naar zichzelf te kijken.
“Mooi?” vroeg ik hem.
“Jij goede mens met goede hart…”
“Nou, Michael, ik ga maar weer eens verder,”
“Jij moet door.” zei hij, pakte mijn hand, “tot kijke…”
“Ja ..tot kijk Michael… “